|
Van mijn witte MG-B uit 1964 kon de linnen kap naar binnen worden geklapt. Ik heb me zelden gelukkiger gevoeld dan tijdens de eerste rit met de kap eraf. Het instappen alleen al was een sensatie, het duurde minuten voordat ik in staat was de contactsleutel om te draaien, zo genoot ik van de auto zonder dak. Ik meen me zelfs te herinneren dat ik achter het huis getraind heb op de instapsprong, met een aanloopje over de koffer heen achter het stuur, naast een blondine met een paardenstaart. Was het een cabrio? Het woord bestond nog niet. Er waren wel cabriolets, maar die associeerden wij met Amerikaanse auto's. De uitdrukking 'een open wagen' vond ik indrukwekkend. Tegenwoordig zijn de cabriootjes aan de macht. Ze zoeven je in het mooie weer aan alle kanten voorbij. In cabriootjes zitten mensen die op weg zijn naar bacootjes (baccardi colaatjes). Als het geen mooi weer is, willen ze hun cabrio ook waarmaken en rijden dus met jas aan, sjaal om en pet op, oorverwarmers ook, bij een temperatuur van vijf graden Celsius over de wegen, hetgeen van het geheel alles behalve een cabriootje maakt. Moderne cabriootjes zijn te bolvormig, te kadet-achtig van lijn. Het magistrale ontbreekt, de ware romantiek is vervangen voor design en klittenband. D'r zitten te veel gadgets en accessoires in. Cabriootjes kunnen heel boos worden. En dan die ontelbare kleuren. Vroeger kon je kiezen tussen roomwit en vuurrood. Een paarse had onmiddelijk het failliet betekend. Een cabrio is speelgoed geworden. Sinterklaaskadootjes. De kinderen van Heinsbroek schijnen allemaal een cabriootje in hun kamertje te hebben. |